Overzicht Evidence Based Practice opdrachten
De EBP-opdrachten van de RSS-cursussen leveren waardevolle inzichten en aanbevelingen op die kunnen bijdragen aan het verbeteren van de zorg. Hieronder vindt u de thema's en korte samenvattingen van de meest recente opdrachten waar cursisten aan hebben gewerkt. Een volledig verslag van een onderwerp waar u belangstelling voor heeft, kunt u opvragen bij bianca.buijck@rotterdamstrokeservice.nl.
CVA Revalidatie verzorgende/verpleegkundige
Cognitie en reablement in de praktijk
In deze opdracht is onderzocht hoe reablement en cognitieve stimulatie kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van mensen die een CVA hebben doorgemaakt. Aan de hand van literatuuronderzoek, enquêtes en interviews is gekeken hoe zorgverleners cliënten beter kunnen ondersteunen bij dagelijkse activiteiten. De resultaten laten zien dat een coachende aanpak en het stimuleren van eigen regie het herstel en de zelfstandigheid bevorderen.
Onzichtbare gevolgen na een CVA
Deze opdracht richt zich op de onzichtbare gevolgen van een CVA, zoals vermoeidheid, concentratieproblemen, emotionele veranderingen en overprikkeling. Door middel van literatuuronderzoek en enquêtes onder cliënten, naasten en zorgprofessionals is onderzocht hoe deze gevolgen beter herkend en begeleid kunnen worden. De uitkomsten benadrukken het belang van bewustwording, voorlichting en deskundigheidsbevordering om de kwaliteit van de revalidatie te verbeteren.
Omgaan met gedragsverandering na een CVA
In deze opdracht staat de invloed van gedragsveranderingen na een CVA centraal, zoals prikkelbaarheid, verminderde motivatie en emotionele labiliteit. Het onderzoek laat zien dat vroege signalering, multidisciplinaire samenwerking en passende begeleiding bijdragen aan een beter herstel en een hogere kwaliteit van leven. Daarnaast worden praktische handvatten en meetinstrumenten beschreven om zorgverleners te ondersteunen in de dagelijkse praktijk.
Stroke Care Verpleegkundigen
Mondzorg op de afdeling
Dit EBP-project richtte zich op de uitvoering van mondzorg bij CVA-patiënten met dysfagie op de afdeling Neurologie/Cardiologie. Via literatuuronderzoek en een enquête onder 15 verpleegkundigen blijkt dat mondzorg niet structureel en niet altijd volgens protocol wordt uitgevoerd. Belangrijkste knelpunten zijn tijdsdruk, onvoldoende materialen (zoals Orosol), wisselende kennis van het protocol en onzekerheid over veilige uitvoering bij ernstige dysfagie. Aanbevolen wordt het protocol aan te scherpen, scholing te geven, materialen structureel beschikbaar te stellen en mondzorg vast onderdeel te maken van het zorgplan.
Communicatie bij patiënten met afasie
Dit EBP-project ging over de communicatie met CVA-patiënten die afasie hebben op de afdeling neurologie. Via literatuuronderzoek en een enquête onder verpleegkundigen en logopedisten (o.a. Erasmus MC en IJsselland Ziekenhuis) blijkt dat communicatiehulpmiddelen, zoals pictokaarten en apps, wel bekend zijn maar in de praktijk onvoldoende worden gebruikt door tijdsdruk en onduidelijke beschikbaarheid. Dit leidt tot frustratie bij zowel patiënt als verpleegkundige en tot minder betrokkenheid van de patiënt bij de eigen zorg. Aanbevolen worden onder andere zakkaartjes met basiswoorden/plaatjes, een vaste plek voor hulpmiddelen op de afdeling en eenduidige verslaglegging.
Dysfagie: slikscreening bij CVA-patiënten
Deze opdracht onderzocht of slikscreening bij CVA-patiënten op de Stroke Unit structureel bij opname wordt uitgevoerd. Op basis van een enquête onder 19 verpleegkundigen en een interview met een logopedist blijkt dat 74% de screening uitvoert, maar dat dit niet consequent gebeurt. Werkdruk, beperkte praktijkervaring en het ontbreken van een herinneringssysteem spelen hierbij een rol, terwijl tijdige screening juist belangrijk is om complicaties zoals aspiratiepneumonie, ondervoeding en dehydratie te voorkomen. Aanbevolen wordt periodieke scholing, een checklist of digitale herinnering bij opname, en het structureel opnemen van slikscreening in het opnameprotocol.
Valrisico bij CVA-patiënten
Dit EBP-onderzoek richtte zich op valpreventie bij CVA-patiënten op de stroke-unit. Op basis van MIP-meldingen, dossieranalyse en een enquête onder verpleegkundigen blijkt dat valincidenten regelmatig voorkomen en dat risicofactoren zoals spierzwakte, balansproblemen en cognitieve beperkingen hieraan bijdragen. Preventieve interventies, zoals valrisico-screening en omgevingsaanpassingen, worden niet altijd consequent toegepast, mede door werkdruk en variatie in kennis. Aanbevolen wordt te investeren in scholing, multidisciplinaire samenwerking en het consistent gebruiken van bestaande valpreventiemiddelen.
Psycho-emotionele klachten na een CVA
Dit EBP-project richtte zich op de signalering van psycho-emotionele klachten bij CVA-patiënten in de acute fase op de Stroke Care Unit van het Ikazia Ziekenhuis. Op basis van literatuuronderzoek, een enquête onder 28 zorgverleners en interviews met een psychiater en medisch maatschappelijk werker blijkt dat klachten als verdriet, angst en frustratie regelmatig voorkomen, maar dat signalering nu vooral berust op observatie en klinische intuïtie, mede door tijdgebrek en communicatieproblemen bij afasie. De Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS) wordt gezien als een betrouwbaar maar in de acute fase minder passend instrument. Aanbevolen wordt te investeren in scholing, structurele aandacht in rapportage en overdracht, en het overwegen van de HADS in een latere herstelfase.
Cognitieve klachten na een TIA
Dit EBP onderzoek richtte zich op de effectiviteit van vroegtijdige verpleegkundige screening op cognitieve restklachten na een TIA. Op basis van literatuuronderzoek en interviews met een neuroloog, strokeverpleegkundige en CVA-nazorgverpleegkundige blijkt dat 30 tot 50% van de patiënten na een TIA klachten ervaart zoals geheugen-, concentratie- en verwerkingsproblemen, die in de acute fase vaak onderbelicht blijven doordat de aandacht uitgaat naar diagnostiek en preventie. Instrumenten als de MoCA en OCS-NL bieden hierbij mogelijk uitkomst. Aanbevolen wordt cognitieve screening structureel op te nemen in de nazorg, verpleegkundigen hierin te scholen en ketenpartners actief te betrekken bij verwijzing en overdracht.